zondag 28 oktober 2012

Bordje


Bij de groenteafdeling van de Jumbo in Oirschot staat een bordje tussen de sinaasappels:

‘100 % versgarantie. Komt u in de winkel groente of fruit tegen dat niet meer vers is? Dan krijgt u een tas vol verse groenten en fruit helemaal gratis.’

Oh, please, don’t tempt me!, denk ik. Het is heel flauw van mij, maar als een winkel zo’n belofte doet, kan ik het niet laten om te kijken of ze zich daar wel aan houden.

Het lijkt me namelijk een flinke klus om 100% versheid te garanderen, ondanks alle goede bedoelingen. Er zijn altijd artikelen die minder snel verkopen. Bovendien zijn medewerkers vaak meer bezig om producten aan te vullen, dan om producten die er al liggen op versheid te controleren. Het moet daarom niet zo moeilijk zijn om iets te vinden wat niet goed meer is.

De biologische komkommers bijvoorbeeld. Ik zie dat er vocht onder het plastic zit. En wat vochtig is, gaat rotten. En ja hoor, ik vind een rottend exemplaar met zachte bruine plekken. Schuin daaronder liggen de aubergines. Een artikel waarvan ik vermoed dat het niet veel verkocht wordt. En wat ligt daar? Een grijsbehaarde aubergine? Gatver.

Dat lijkt me genoeg voor een gratis tasje.
Ik overhandig beleefd de rotte komkommer en de behaarde aubergine aan een medewerker.
‘Oh’, reageert hij en loopt er mee naar het magazijn.
Als hij terugkomt en verder gaat met zijn werk, vraag ik hem of hij misschien het bordje wil weghalen waarop staat dat je een tas met gratis groente en fruit krijgt, als hij me die niet gaat geven.
`Ja, ik geef u zo een tas met groente en fruit, een ogenblikje’ antwoordt hij.
Hij loopt weer naar het magazijn en ik zie hem met een collega overleggen.
`Ik overleg even met mijn baas’, vertelt hij als hij terug is.
Hij loopt naar de kassa’s.
`Ja, mijn baas vindt het goed’, zegt hij bij terugkomst.

Hij pakt een plastic zakje, geen tas, en zegt: `hier mag u losse producten in doen, die u normaal zou afwegen, sinaasappels, appels, tomaten en zo. Bij de kassa zegt u dat u die heeft gekregen en als ze dat willen controleren, moeten ze mij bellen, ok?’
`Mooi, dank je’, zeg ik. En samen met hem vul ik het zakje met wat appels en sinaasappels. Ik houd het bij een half zakje. Het ging me er alleen om of ze zich aan een belofte houden en dat hebben ze gedaan, al was het met frisse tegenzin.

`Waar heeft u dat bordje van die gratis tas gezien?’ vraagt de jongen vervolgens.
`Hier’, zeg ik en wijs naar het bordje tussen de sinaasappels. `Maar er staan wel meer van die bordjes op de afdeling’, waarschuw ik hem.
Hij haalt alle bordjes weg.
‘Mijn baas gaat morgen eerst uitzoeken hoe het precies zit’, verklaart hij.
Ik moet weer bij mezelf lachen.
Het is waarschijnlijk goedkoper om een bordje weg te halen dan een behaarde aubergine.

vrijdag 28 september 2012

Donker


Een volleybal-teamgenote vertelde dat ze met haar dochter in Antwerpen was gaan winkelen. ‘En om tien uur ’s ochtends hadden ze de portemonnee van mijn dochter al gerold.’ zei ze droog.
`Wat akelig, hoe is dat gebeurd?’ vroegen wij.
`We dronken koffie bij de Starbucks op Antwerpen Centraal. Het was daar enorm donker. Twee oudere mannen naast ons vroegen mijn dochter om een pen. Ze zocht in haar tas en zei dat ze er geen had. Ik zocht in mijn tas en had er ook geen voor hen. Ja, ze maken er gewoon misbruik van dat je behulpzaam bent’, zei ze boos.
Om een pen vragen, die truc is zeker zo oud als die mannen waren, dacht ik. Maar hij werkte dus nog steeds.
`Toen moet het gebeurd zijn’, zei mijn teamgenote. `Mijn dochter vertelde dat ze haar tas open had laten staan, toen ik in mijn tas aan het zoeken was. En bij de eerste winkel waar we iets moesten afrekenen zag ik haar helemaal wit wegtrekken. Weg portemonnee!’
`Wat zat erin?’ vroegen wij.
`Haar studiepas, bankpasje, contant geld en een kaartje voor een feest waar ze dit weekend naar toe zou gaan.’
`Oh wat erg. Hebben jullie aangifte kunnen doen?’
`Ja, er zat een politiepost op het station.'
'Mooi.'
`Daar zat een hele dikke agent met een gouden tand en zijn haar vettig naar achter’, vervolgde ze.
`Die zat ook in het complot?’, zei ik voor de grap.
`Ja,’ zei ze lachend, `hij ontving ons wel erg onvriendelijk. Hij leek helemaal geen zin te hebben om de aangifte op te nemen en plantte ons in een kamertje waar we moesten wachten. 
Daar zaten we zo een tijdje, tot mijn dochter ineens besefte dat ze ook dat kaartje voor dat feest kwijt was  en ze barstte in huilen uit. Net op dat moment kwam die agent binnen om ons op te halen. 
De aanblik van mijn huilende dochter vond hij zo charmant, dat hij ineens heel lief tegen haar was.’
`En waar is `t gebeurd?’, vroeg hij meelevend in onvervalst Antwerps.
`In de Starbucks,’ zei ze snikkend.
`Awel’, riep hij uit,’da’s ook geen wonder...
‘t is daar zo donker als d’n el!’

donderdag 27 september 2012

Aan de beurt


‘Met wat voor idee bent u hier gekomen?’, vroeg de dierenarts voorzichtig. In zijn hand hield hij onze zwaar uitgemergelde hamster. Eerder deze de week had ik zijn tanden nog laten knippen bij zijn collega.
‘Oh, gelukkig hij doet het weer’, had ze geschrokken gezegd toen ze wat water op hem sprenkelde om het beestje, dat van de stress even gestopt was met ademen, weer tot leven te wekken.
‘Ze moet nu wel weer gaan eten’, had ze verteld, ‘Maar probeer het niet langer dan een week.’

Dus verleidde ik Hamtara, vernoemd naar Hamtaro, haar Japanse tekenfilmtegenhanger, met stukjes ei, hapjes appel, een beetje wortel, likje houmous en druppels water. Voor de vorm nam ze wat likjes en hier een daar een hapje. Hamsteren deed ze nog wel: met uiterste kracht legde ze met haar magere lijfje voorraadjes aan. Maar er van eten, ho maar. Na een paar dagen kon ik het niet meer aanzien.

De dierenarts keek nog eens naar haar tanden. Die waren nu niet meer te lang. Het beestje trilde in zijn handen, maar was te uitgeput om te vluchten of in zijn vingers te bijten, wat ze in betere tijden beslist had gedaan. Ze was een pittige tante.

De dierenarts aaide voorzichtig over het plukkerige vachtje.
`Nou ja’, zei ik voorzichtig, `dan is het misschien tijd…’
`Het is wel humaan om haar nu in te laten slapen’, hielp hij me.
`En anders sterft ze van de honger’, sprak ik mezelf moed in. `Dat wil ik niet. Ok, laat haar maar inslapen.’
‘Blijf je erbij?’ vroeg de dierenarts aan mij en aan zoonlief.
Ik knikte, zoonlief vluchtte naar de wachtkamer.
De dierenarts gaf Hamtara een injectie met ‘twintig keer de dosis voor een narcose bij een dier van een kilo’
Hij legde Hamtara in mijn hand en ik zag dat het direct voorbij was.
De tranen sprongen in mijn ogen.
Huilen om een hamster. Dat had ik niet verwacht.
`Sorry’, zei ik beschaamd.
De dierenarts gaf me een tissue en zei: ‘Dat is heel normaal hoor. Je hebt toch twee jaar voor dat beestje gezorgd.’
Aardig dat hij dat zei, maar ik vond mijn tranen toch wat misplaatst.
Maar ach, ik was vast niet de eerste volwassen vrouw die hij om een hamster zag huilen.

Met de lege kooi liepen we mistroostig terug naar de auto en reden naar het Boshuys om wat te drinken. Als een soort van koffietafel. Manlief voegde zich bij ons. Hij had hardgelopen.
‘En hoe is het met de hamster?’ vroeg hij.
‘Die is niet meer’ zei ik.
‘Zielig’, zei hij.
We bleven even stil.
`Wat mij betreft doen we geen nieuwe hamster meer’, zei hij ten slotte. ‘Ik vind dat toch zielig zo’n beestje  in een kooitje.’
Dat was ik met hem eens al had ik al wel even overwogen om de volgende dag naar de boerenbond te gaan voor een nieuwe.

‘Ja, zo komen we allemaal aan de beurt’, zei manlief op de terugweg.
`Ja’, zei zoonlief nuchter: `eerst jij, dan mama en dan ik. Maar dat is hopelijk pas als ik honderd ben.’

zondag 16 september 2012

Uitgesteld kunstwerk


Onder in mijn to-do-bakje vind ik een offerte van mijn tandarts van november 2011. Daaronder een zelfde offerte van november 2010. En als ik binnenkort voor mijn halfjaarlijkse controle ga, krijg ik er weer één. Ik kan er niet meer om heen: ik stel het al twee jaar uit dat ik een kroon laat vervangen.

Mijn tandarts had het me vorig jaar nog zo mooi op de foto laten zien. `Kijk, er zit een kleine holte onder die kroon. De zenuwen buigen er al van weg, zie je dat?’
Ja, ik zag het en ja, ik weet ook dat het beter is om deze klus te laten klaren zolang ik nog geen klachten heb.

`Als je snel een afspraak maakt, kan ik het nog doen voor mijn zwangerschapsverlof.’ Ze wreef over haar buik. ‘En anders mijn vervanger.’
‘Goed’, zei ik stoer, ‘geef me maar een offerte, dan laat ik die aan mijn verzekeringsmaatschappij zien.’
Maar zelfs dat heb ik niet gedaan!

Waarom doe ik zo moeilijk? Ik heb die kroon toch ook ooit laten plaatsen? Inmiddels al weer twaalf jaar geleden bij een vriendelijke tandarts in de Admiralenbuurt in Amsterdam. ‘Ik kan tot 38 verdovingen zetten,’ zei hij geruststellend toen mijn kaak zich moeizaam liet verdoven.

En ik moet zeggen: hij had van mijn kroon een mooi porseleinen kunstwerk gemaakt, waar diverse tandartsen na hem steeds met verbazing naar keken. Maar of ik dat nu wil of niet, dat kunstwerk is versleten en aan vervanging toe.

Het is tijd om mezelf streng toe te spreken. Het is mooi geweest. Geen uitstel meer. Morgenvroeg bel ik voor een afspraak. Al is het maar om te weten of de kleine al loopt.

dinsdag 13 december 2011

Paradise lost

Afgelopen weekend ging ik hardlopen rond de wijk Blixembosch in het noorden van Eindhoven, toen halverwege mijn looproute abrupt ophield. Alles was weg: het steile paadje naar boven, de bomen, de struiken, de konijnen, de vogels, de fazanten. Mijn favoriete hardlooproute was met de grond gelijk gemaakt.

Dit deel loopt namelijk over de geluidswal bij de A58 en deze wordt afgebroken en verlegd om plaats te maken voor nieuwe woningen. Natuurlijk wist ik al een hele tijd van dit plan, maar toen ik zaterdag daadwerkelijk de compleet kaalgekapte wal zag, drong het verlies pas werkelijk tot mij door.

Ok, het is geen regenwoud in Borneo en de konijnen zullen een andere stek vinden, of niet, maar toch ervoer ik het als een verlies. Gewoon omdat er zo weinig 'ongepland' groen in een stad te vinden is. Een boom, een plantsoen, dat is ook groen, maar zo'n wilde begroeiing met een zandpaadje heeft een charme waar geen park tegenop kan.

Ook realiseer ik me dat veel bewoners van Blixembosch in al die jaren nooit op de geluidswal zullen hebben gewandeld. De Ikea aan de overkant van de A58 is drukker op een zaterdagochtend.

Toch liep ik daar ontdaan langs die kale wal. Een mevrouw met honden, zag mij kijken en zei: 'Erg he.'
'Ja, heel erg', was mijn reactie.
'En protesteren helpt niet', zei ze. 'Het gebeurt toch.'

Ik schaamde me dat ik niet had geprotesteerd. Dat ik het aan me voorbij had laten gaan. Nu was het weg. Ik kon de wal zelfs niet meer op. De toegang was versperd. En al had ik er op kunnen klimmen, dan zou mijn gevoel van verlies alleen maar zijn gegroeid, want al wat daar restte was een vrij uitzicht op de A58.

En terwijl ik daar langs de resten van mijn favoriete hardlooproute liep, zong ik zacht het nummer Big Jellow Taxi, een hit van de Counting Crows, maar oorspronkelijk van Joni Mitchell: 'Don't it always seem to go, that you don't know what you've got til it's gone. They paved paradise to put up a parking lot'

woensdag 23 november 2011

Paul

'Ingrid, ik heb een vervelend bericht', zei mijn vader. 'Oom Paul is overleden. Hij heeft in Engeland een hartinfarct gehad ' In Engeland? Wat deed hij daar? vroeg ik hem, maar hij wist niet veel meer. Hij was net gebeld door een andere oom die ook niets meer wist.


Paul is de oudste broer van mijn moeder. Hij woonde in Slowakije en daarvoor in Amsterdam. We zagen hem de laatste jaren niet meer, maar onlangs hadden we het nog over hem. Eén van mijn ooms was door de politie gebeld of we wisten waar Paul was. Er was een melding binnengekomen dat hij mogelijk werd vastgehouden en dat wilden ze controleren.

Karl Marx universiteit
Van Paul kon je alles verwachten. Hij was bepaald geen engel. Een aartsengel misschien? Mijn opa en oma zagen in hem een priester, een heeroom zoals dat in Katholieke gezinnen heet. Die roeping had hij zelf niet. Dat wil niet zeggen dat hij geen roeping had. Hij studeerde sociologie in de jaren zestig, de tijd van de Tilburgse studentenbezetting. Hij vertelde ooit dat hij 's nachts samen met studiegenoot Frans Godfroy 'Karl Marx Universiteit' op het hoofdgebouw had geschilderd.

Later werd hij politiek actief binnen de PSP. Paul beweerde ook regelmatig dat hij lastig werd gevallen door de AIVD. Zijn vermoedens werden bevestigd toen hij inzage kreeg in zijn AIVD-dossiers uit die tijd. Zelf viel hij ook mensen 'lastig'. Dat deed hij met mensen die zijn idealen in de weg stonden. Ooit stond hij vooraan bij de protesten tegen stadsvernieuwingen in Tilburg en tegen de aanleg van de metro onder de Nieuwmarktbuurt in Amsterdam.

Roma
Zijn belangrijkste ideaal betrof echter de Roma ofwel 'zigeuners'. Hij wierp zich onder meer op als belangenbehartiger van 'zigeunerkoning' Koko Petalo. In het boek 'Zigeuners' hield hij een vlammend betoog tegen discriminatie van zigeuners in West Europa. En als coördinator, vice president en medeoprichter van het Internationaal Romano Comité kwam hij meer dan dertig jaar op voor de belangen van de zigeuners in Nederland. Zijn inzet voor een betere behandeling van de Roma hield nooit op. Ik herinner me dat hij ooit midden in de nacht na een verjaardagsfeest bij mijn ouders thuis de burgemeester van Berkel-Enschot belde omdat de plannen die de gemeenteraad had met het zigeunerkamp in het dorp - mijn moeder had hem daarover verteld (zij had ook een warm hard voor zigeuners, ze is tegen onrecht eigenlijk) - hem niet aanstonden.

Strijdlust
Mijn oom wist het gelijk altijd aan zijn zijde en dat maakte hem geen sympathieke persoon. Eerder strijdlustig, arrogant en opvliegend van aard. Het sprak voor hem dat hij zich daarbij inzette voor een ander. Zo trouwde hij  in de tijd van het ijzeren gordijn een Tsjechisch meisje, zodat ze naar Nederland kon komen om daar vervolgens te trouwen met haar grote liefde, een Tsjechische studievriend van Paul. Hij had een dochter met een BOM en was enorm aan haar gehecht. Hij zette al zijn strijdlust in om haar te zien en met haar zijn ouders te bezoeken.

Dat hij graag met zijn dochter naar opa en oma ging, was op zich bijzonder, want de meningsverschillen met zijn vader overtroffen de momenten dat ze samen waren vele malen. En als ze samen waren, dan ging het hard tegen hard, vooral omdat ze zo op elkaar leken. Giet daar een paar  pijpjes Amstelbier bij en je hebt een explosief mengsel dat menig familiefeest versjteerde.

Stil

Als hij niet discussieerde, zoog oom Paul vooral stil aan een peuk. Hij gaf me daarbij het gevoel dat ik enorm dom en burgerlijk was en het niet waard was om mee te praten. Ik weet niet of hij dat werkelijk dacht. Misschien wist hij gewoon niet waar je met een zestienjarig meisje over praat.

Het gevoel werd versterkt, toen hij me jaren later met regelmaat belde, toen ik ook in Amsterdam woonde, en vroeg of ik die en die dag naar opa en oma ging en of zijn dochter en hij dan mochten meerijden. Natuurlijk. Met zijn dochter kletsten we onderweg, mijn oom zat ongemakkelijk op de achterbank. Opgesloten in zo'n burgerlijke leaseauto met de dochter van zijn zus en haar man. Hoe heette die man van haar ook al weer? Je zag het hem denken.

Ik durfde ondertussen wat meer te vragen. En dan vertelde hij wel over de acties die hij voerde. Ik werkte toch voor de gemeente? Kon ik hem geen mailadressen geven van die en die...? 'Staan allemaal op de website, Paul' antwoordde ik dan. Maar hij vertelde meer en meer over rechtszaken, bijvoorbeeld over die auto's die op zijn naam waren gezet en andere ongein. De activist werd oud. Zijn baard en manen werden grijs, zijn temperament en vechtlust bleven onveranderd. Maar dat is al weer tien jaar geleden. Ik weet niet hoe de laatste tien jaar van zijn leven verliepen en hij zal het me niet meer kunnen vertellen.

Toen mijn man thuiskwam, vertelde ik hem dat oom Paul was overleden in Engeland. 'In Engeland hebben ze ook Occupy', zei onze zoon. Mijn man en ik moesten glimlachen om de toepasselijkheid van zijn opmerking. 'Dan is hij in het harnas gestorven,' zei mijn man, 'Dat is beter dan in bed.'